Er wordt vaak opgemerkt dat de publieke sector geen winstoogmerk heeft en dat daardoor een publieke financiering per definitie goedkoper is. Dit kan zeker niet ontkend worden, maar er moeten toch een aantal kanttekeningen bijgeplaatst worden.
Ten eerste, het werkelijke verschil in de financieringskosten is noodzakelijkerwijs niet zo enorm groot. Ten tweede, het is zeker dat lagere financieringskosten helpen om projecten betaalbaar te maken, maar een efficiënte en doelgerichte realisatie van het project tezamen met een efficiënte exploitatie zijn meestal kostenelementen die betaalbaarheid veel meer beïnvloeden. En ten derde, de hoogte van de toegepaste risico marge is ook van belang in de analyse welke financiering beter is.
De werkelijke gerealiseerde winstmarge is afhankelijk van hoe hoog het risico was ingeschat ten tijde van financial close. Als de risico marge te laag was, wordt de gehoopte winstmarge niet gehaald en kan er zelfs verlies geleden worden. Mocht een privaat bedrijf continue verlies lijden omdat een verkeerde inschatting was gemaakt (en een verhoging van de tarieven onmogelijk is), kan de aandeelhouder besluiten er geen extra gelden meer in te steken en het bedrijf failliet laten gaan.
In het geval van een publiek bedrijf, kan de eigenaar besluiten het verlies te dekken met belastinggelden (een verkapte vorm van subsidies). Het gevaar van deze mogelijkheid om verliezen te dekken, is dat in een publiek bedrijf degenen die verantwoordelijk zijn voor de realisatie en exploitatie ook minder prikkels hebben om de verliezen te beperken. De personen in dezelfde positie binnen een privaat bedrijf hebben wel deze prikkels omdat een failliet waarschijnlijk het einde van het bedrijf betekent (en dus hun werkplek). Deze prikkels stimuleren hun dus om te proberen een grotere efficiëntie en/of innovatieve en kosten reduceerde oplossingen door te voeren om daarmee een faillissement te vermijden.
Tegenover dit “disaster” scenario staat natuurlijk een scenario waarin het risico ruimschoots wordt overschat. In het geval van een publiek bedrijf kan zij (en moet zij met de AMC regels in het oog) daarmee reserves opbouwen en daarmee een tariefverlaging doorvoeren . Natuurlijk kan een privaat bedrijf ook de meevaller verwerken in een tariefreductie (of zelfs een terugbetaling van subsidies). Maar zonder specifieke regelingen komt deze extra winst (of wat sommigen noemen een “overwinst”) ten goede aan het bedrijf. Om dit te vermijden, wordt publieke financiering dus gezien als de beste methode om de laagste kosten voor de eindgebruiker te garanderen.
Aangezien warmte (en koude) netten een collectieve infrastructuur met een nutsfunctie zijn moeten deze “overwinsten” worden vermeden. Net zoals in fase 3 van de tariefregulering binnen de nieuwe WcW, kan dit ook met een privaat bedrijf worden gedaan door bij het afsluiten van de projectopdracht om een warmte (en koude) net aan te leggen en te exploiteren. Naast het vastlegging van het tarief (met inflatiecorrectie) voor de levensduur van het project, kan ook een maximale project “return on investment” (evenals eventueel een minimum project return) op het ingezette eigenvermogen worden opgenomen. Met andere woorden, de prikkels die leiden tot kostenreducties blijven bestaan want de consequenties van onderschatte risico’s liggen in eerste instantie bij het private bedrijf. De maximale return on investment zorgt ervoor dat excessieve winsten worden vermeden door hete bedrijf te verplichten tarieven te verlagen, project subsidies terug te betalen of te gebruiken voor verdere investeringen in het project netwerk.
Tenslotte is er naast de bovengenoemde elementen ook een meer technisch financieringselement waarom een publieke financiering niet veel goedkoper kan zijn dan een private financiering. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van bankleningen om het grootste deel van de te maken investeringen te financieren, eisen de banken dat er voldoende dekking is in de toekomstige positieve cashflow (inkomsten minus kosten) zodat de terugbetaling van leningen met rente zonder problemen gebeuren kan. Deze financiële dekking vertaalt zich uiteindelijk ook in een minimale “return on investment” voor de publieke eigenaar. Met andere woorden, des te hoger het aandeel van de bankleningen in de financiering, des te hoger de noodzakelijke dekking en dus de minimale “return on investment” op het ingezette eigenvermogen.
Samengevat: het is nu de vraag of de enigszins goedkopere financiering die een publiek bedrijf kan krijgen werkelijk een reden moet zijn dat private investeringen uitgesloten moeten worden. Er zijn genoeg instrumenten om de ongewenste “overwinsten” te vermijden zelfs als die het gevolg zijn van een meer efficiënte project aanpak waarin de private sector over het algemeen beter geoutilleerd is.
Met andere woorden, het argument dat publieke financiering goedkoper zou zijn, moet geen reden zijn om een actieve rol van de private sector in de financiering van ZLT-U netten uit te sluiten. Zoals al in een eerder blog ("Financiering van ZLT-U netten") is aangegeven, zijn er een aantal andere belangrijke aspecten die een private financiering aantrekkelijk maken voor de realisatie en exploitatie van ZLT-U netten.
